Stel je voor: de hemel als fysieke plek, nét buiten het zichtbare universum.
Niet in een religieus boek, maar in een kosmologisch model.
Dat is precies wat Michael Guillen, voormalig natuurkundedocent aan Harvard en ex-wetenschapsredacteur bij ABC News, nu hardop suggereert.
Zijn these: “de hemel” zou zich kunnen bevinden voorbij de kosmische horizon, de grens van wat wij ooit van het universum kunnen waarnemen.
Waar Guillen het universum ‘openbreekt’
Guillen vertrekt van een bekend feit: het universum dijt uit.
Op enorme afstanden bewegen sterrenstelsels van ons weg met zo’n snelheid dat hun licht ons nooit bereikt.
Die grens noemen kosmologen de horizon van het waarneembare universum.
Geen muur, maar een simpel gevolg van twee harde limieten: de lichtsnelheid is eindig en het universum is slechts 13,8 miljard jaar oud.
Guillen gaat een stap verder en maakt van die horizon een “drempel” met speciale eigenschappen.
Volgens zijn interpretatie zou daarachter een domein liggen dat ontoegankelijk is voor gewone materie, maar wél “geschikt” voor niet-materiële entiteiten – en vooral: tijdloos.
Die koppeling – kosmische horizon plus atemporaliteit – is de springplank naar zijn theologische conclusie: zo’n tijdloos domein zou overeen kunnen komen met het klassieke idee van “de hemel”.
Een gewaagde brug tussen kosmologie en geloof.
Wat zegt de echte kosmologie?
In de moderne kosmologie draait veel om de kosmische achtergrondstraling, de microgolfgloed van het oerheelal, uitgezonden zo’n 380.000 jaar na de oerknal.
NASA en ESA hebben met WMAP en Planck laten zien dat dit licht als een soort “fossiele foto” de structuur van het vroege universum onthult.
Maar: die straling markeert géén fysiek einde.
Achter dat licht gaat het universum gewoon door.
Kosmologen onderscheiden bovendien meerdere horizonten, zoals het deeltjeshorizont en het gebeurtenishorizont, elk met een andere wiskundige betekenis.
Een veelgeciteerd artikel in Publications of the Astronomical Society of Australia waarschuwt expliciet dat deze grenzen vaak verkeerd worden uitgelegd als echte muren of tijdstoppers.
Guillens meest omstreden claim: dat “de tijd stopt” bij de horizon.
Relativiteitstheorie laat zien dat zulke uitspraken extreem afhankelijk zijn van de waarnemer en het gekozen coördinatenstelsel – net als bij een zwart gat, waar tijd voor de vallende waarnemer gewoon doorloopt.
Toch raakt zijn stuk een gevoelige snaar.
Want als het universum mogelijk oneindig is – iets waar onder meer Nature-publicaties serieus rekening mee houden – dan wordt de vraag “wat ligt er voorbij wat we ooit kunnen zien?” niet alleen filosofisch, maar existentieel.
Guillen vult dat gat met theologie.
De kosmologie zelf laat het, voorlopig, bij wiskunde.
Source: La Razón
