De geschiedenis gaat terug tot de 19e eeuw, toen een uitvinder een oplossing zocht voor kurken doppen die niet 100% goed afsloten.
Bierflesjes herken je aan de kleur van het glas en de typische “kroon”-dop. Maar heb je je ooit afgevraagd waarom ze er precies zo uitzien?
Het is geen toeval en geen willekeurige keuze van de brouwerijen, maar een historisch detail waarin wetenschap, traditie en drinkervaring samenkomen.
Waarom bierdopjes er zo uitzien
Aan het einde van de 19e eeuw zocht de Amerikaans-Ierse uitvinder William Painter naar een betere manier om koolzuurhoudende en alcoholische dranken te bewaren.
Tot die tijd werden flessen afgesloten met kurken, die niet altijd voor een perfecte afdichting zorgden.
Daarom bedacht Painter de kroonkurk: de klassieke metalen dop met tandjes die iedereen kent. Het aantal tandjes is echter niet willekeurig.
Het ideale aantal om een luchtdichte afsluiting te garanderen bleek 21 te zijn. Zo worden lekken voorkomen en kan de dop de interne druk van het bier aan zonder het glas te beschadigen.
Waarom precies 21 tandjes en geen ander aantal?
In het oorspronkelijke ontwerp testte Painter verschillende aantallen tandjes. Met minder dan 21 sloot de dop niet goed af en kon het koolzuur ontsnappen.
Met meer tandjes werd het metaal te kwetsbaar en werd het moeilijk om de dop op de fles te zetten zonder het glas te breken.
Zo werden 21 tandjes de wereldwijde standaard: een formule die stevigheid, gebruiksgemak en veiligheid in balans brengt.
Voordelen van 21 tandjes op een bierdop
Het belangrijkste doel van dit ontwerp is de frisheid en smaak van het bier te behouden. De luchtdichte afsluiting voorkomt dat het gas ontsnapt en dat bacteriën of lucht binnendringen, factoren die het bier kunnen bederven.
Daarnaast zorgt de vorm van de tandjes ervoor dat de dop gemakkelijk met een opener kan worden verwijderd, zonder risico om jezelf te verwonden of het glas te breken.
